White Innocence: een pijnlijke blik in de spiegel

Voordat ik inhoudelijk Gloria Wekker’s nieuwe boek White Innocence ga recenseren moet ik een persoonlijk boekje opendoen.

Ik ben naast mijn geslacht enorm bevoorrecht. Ik ben nooit ‘etnisch geprofileerd’ (eruit gepikt door de politie) wegens mijn huidskleur, ben nooit gediscrimineerd voor een stage of een werkplek wegens een ‘niet-Nederlandse’ naam of uiterlijk, werd nooit (serieus of als een ‘grapje’) vergeleken met racistische karikaturen zoals Zwarte Piet of een aap. Mij wordt niet gevraagd waar ik eigenlijk nou écht vandaan kom. Men complimenteert mij niet met het feit dat ik ‘zo goed Nederlands spreek’. Ik heb nog nooit meegemaakt dat ik de enige persoon was in een groep van mijn ‘ras’ en zie in de media constant mensen met een soortgelijk uiterlijk terug. Mijn witte huidskleur is in de cosmetica- en kledingwereld de standaard: een ‘huidskleurige’ tint verwijst naar de mijne.

Als ik kritiek uit op mijn land wordt mij niet verteld dat ik ‘terug moet naar waar ik vandaan kom’. Er worden geen zogenaamd ludieke Facebookpagina’s aangemaakt om me uit te zwaaien, zoals bij Sylvana Simons. Ik word vrijwel nooit geselecteerd door de douane bij een veiligheidscheck, want blijkbaar zie ik er niet ‘verdacht’ uit. Met vriendelijk lachen kom ik vaak onder een boete van de politie uit. Er wordt van mij niet verwacht dat ik mij distantieer van religiegenoten wanneer extremisten toeslaan. Met mannelijke liefdes hoef ik geen agressieve reacties op straat te verwachten als we publiekelijk zoenen, want heteroliefde is de norm. Ik twijfel niet over mijn genderidentiteit, word dus ook niet lastiggevallen met vragen over mijn genitaliën of binaire toiletkeuzes. Financiële zorgen heb ik nauwelijks wegens ouders die me altijd op dat vlak kunnen bijvallen.

Al zijn dit allen dingen die grotendeels buiten mijn controle liggen: ik ervaar er wel maatschappelijk voordeel van.

Dat erkennen was een pijnlijk proces. Ik ben opgegroeid in een (overwegend witte) omgeving die me meegaf dat discriminatie niet oké is, maar dat in Nederland alles wel goed zat op dat vlak. In Amerika of India, daar is het pas erg. Uiteraard leerde ik dat van witte mensen die racisme zelf nooit aan den lijve hebben meegemaakt. Zo werd mij ‘kleurenblindheid’ geleerd: let niet op kleur, het doet er niet toe, iedereen is gelijk. Maar het doet er wel toe voor vele gekleurde en zwarte Nederlanders die elke dag geconfronteerd worden met hun ‘anders-zijn’ en het helpt hen niet om onze ogen daarvoor te sluiten. Pas toen ik actiever werd op Twitter en antiracisme-activisten (met name Arzu Aslan was een heldin op dit vlak) ging volgen die mij met de neus op de feiten drukten kwam ik erachter dat het helaas niet zo simpel ligt.

Mijn privilege betekent niet dat ik individueel de schuld draag voor mensen die niet zoveel maatschappelijk voordeel ervaren als ik, maar het betekent wel dat ik me er bewust van moet zijn, dat ik ruimte voor hen die dat privilege niet hebben moet maken. Leren luisteren met name.

Luister en lees: het Nederlandse racismeparadox
Deze nodige introductie gezegd hebbende: luisteren deed ik naar Gloria Wekker. Toen ik haar enkele weken geleden in Buitenhof zag vond ik haar optreden al enorm sterk. Haar nieuwe boek bestelde ik dan ook al vrij snel.

Wat centraal staat in Wekker’s White Innocence is de paradox tussen enerzijds het beeld dat Nederlanders hebben van Nederland als een land dat ‘af’ is qua ongelijkheid, en anderzijds een agressief koloniaal verleden en vele racistische situaties in het nu. Ik zal niet het hele boek samenvatten, daarvoor moet je het toch echt zelf lezen (het is elke letter waard), maar wil graag enkele zaken uitlichten die mij specifiek raakten.

De cover van het boek White Innocence

De witte Nederlandse onschuld
Wekker schrijft over de Nederlandse witte ‘zelfrepresentatie’: de manier waarop witte Nederlanders zich heel duidelijk als niet-racistisch neerzetten. Zij (of wij?) zien hun land als klein, onschuldig, kleurenblind, écht niet-racistisch. Ondertussen is een witte huidskleur in dit land de standaard, iets dat Wekker koppelt aan vierhonderd jaar van kolonialistische heerschappij.

Gek is die conclusie van vele witte Nederlanders niet: bij geschiedenislessen op de middelbare school leren wij nauwelijks wat over ons koloniale verleden. Amerika wordt geportretteerd als de boeman, terwijl wij onze ‘VOC-mentaliteit’ verheerlijken. Als we ons eigen koloniale verleden niet eens fatsoenlijk geleerd krijgen is het makkelijk om ervan uit te gaan dat Nederland altijd al onschuldig was, dat racistische praktijken niets met ons land te maken hebben.

Machtsstructuren zoals eenmaal vastgelegd gedurende het kolonialisme en imperialisme werken door in hedendaagse stereotypes, maar ons verleden wordt niet erkend of expliciet gemaakt: het gevolg is dat de stereotypes en hun kwalijke effect niet serieus worden genomen.

Racisme is voor tokkies
Áls racisme al erkend wordt in Nederland, dan zijn het de witte hoogopgeleide Nederlanders die racisme afdoen als een praktijk van de onderklasse, ofwel ‘de tokkies’, de PVV-ers. De werklozen die in hun trainingspakkies de hele dag achter hun tv zitten en buitenlanders haten: zij zijn het probleem. Middels dit wij-zij-mechanisme wordt racisme afgedaan als iets dat niet mogelijk kan worden uitgevoerd door hoogopgeleiden. Terwijl juist óók deze groep mensen moet leren inzien dat een ‘systeem’ (het doorgeven van racisme van generatie op generatie door opvoeding en andere vormen van socialisering) van racisme of seksisme iets is dat je niet individueel kan ontwijken. Je kunt wel denken dat je zelf béwust niet racistisch handelt, maar je kunt niet grote zaken zoals discriminatie op de arbeidsmarkt van niet-witte mensen negeren en in je eentje veranderen. Die grote zaken komen voort uit een cultuur. Die je dus opnieuw, niet in je eentje kan ontwijken en of veranderen.

Ik ga ervan uit dat ik in zekere mate racistisch, seksistisch en homofobisch gedrag vertoon omdat ik in een maatschappij geboren ben en leef waar die praktijken (zie eerste alinea’s) voorkomen en omdat ik racisme en homofobie niet zelf meemaak. Dat betekent dat ik probeer open te staan voor nieuwe perspectieven, mezelf constant kritisch bekijk, luister naar zij die het wél meemaken. En ik heb nog veel te leren.

Als ik mijzelf bij voorbaat, zoals vele witte Nederlanders doen, als een perfect gelijkwaardighandelend mens zie, zal ik alle mogelijke zelfkritiek verwerpen en achtergestelden al snel typeren als ‘overgevoelig’, ‘slachtoffers’ of ‘aanstellers’. Het zou leiden tot een defensief mechanisme waarbij mijn veilige wereldbeeld in tact zou blijven. En juist daarmee moeten witte Nederlanders breken – met al het ongemak van dien.

“If you want to be equal to us, then don’t talk about differences; but if you are different from us, then you are not equal”

Wat onzichtbaar is, draagt macht
Wekker confronteert ons met dat ongemak. De Nederlandse hypocrisie qua racisme is herkenbaar – juist ook bij mezelf. Wekker bekijkt en analyseert de Nederlandse cultuur van kleurenblindheid, ontwijking, de claim van onschuld en overgevoeligheid voor racisme met een vergrootglas. Zelf vond ik het volgende citaat de omgang met ‘ras’ in Nederland perfect samenvatten: “If you want to be equal to us, then don’t talk about differences; but if you are different from us, then you are not equal”

Daarnaast doet ze iets dat met name in Nederlandse context revolutionair is: in plaats van De Ander (de allochtoon, de gekleurde of zwarte Nederlander) te onderzoeken, onderzoekt ze de zelfrepresentatie van witte Nederlanders. Zo schrijft ze: “.. the ethnic positioning of white people is made invisible; the ethnic position is supposedly not important and worthy of mention but at the same time elevated as the norm”, en “A characteristic of unmarked categories is that they do not have to name themselves; the power position they represent speaks for itself.”

Hetzelfde idee signaleert Wekker bij mannelijkheid en vrouwelijkheid: de vrouw is De Ander, vrouwelijkheid is exceptioneel en moet bestudeerd worden, terwijl mannelijkheid onbewust en onzichtbaar de standaard is (bijvoorbeeld in het bedrijfsleven, de politiek). Wekker maakt vaak zelf de connectie tot seksisme, maar zelfs al zou ze dat niet doen: elke zelfbenoemde Nederlandse feminist zou dit boek moeten lezen en leren inzien dat een soortgelijk ongelijkheidsmechanisme zoals racisme net zoveel aandacht verdient als seksisme. Met name in de casestudy over witte Nederlandse vrouwen die zichzelf begin twintigste eeuw identificeren met zwarte vrouwen komt de mengelmoes tussen racisme en seksisme sterk naar voren.

Eloquente kracht
Het enige nadeel aan Wekker’s boek is dat het niet makkelijk uit te delen valt aan sceptische familieleden of vrienden. Het is een Engels boek en Wekker maakt veel gebruik van sociaalwetenschappelijke termen en denkers: lastige materie voor beginners, terwijl het juist ook voor hen extra belangrijk is. Dat maakt het voor gevorderden en sociaalwetenschappers wel juist weer meer diepgaand, omdat het niet op het basisniveau blijft hangen.

Het is onmogelijk het boek van ruim tweehonderd rake pagina’s correct samen te vatten, maar Wekker’s diepe analyse van case-studies zoals de Zwarte Piet-ophef en diens agressieve reacties laat de pijnlijke waarheid naar boven drijven: Nederland is niet de kleine, onschuldige en tolerantie natie zoals vele witte Nederlanders het land graag presenteren.

Het dwingt witte Nederlanders zoals ik tot een stevige mate van zelfreflectie, om veel meer te leren luisteren naar zij die mijn privilege niet delen, hun verhalen te verspreiden en racisme in Nederland te erkennen en te bestrijden. Wekker duwt onze gezichten met eloquente kracht tegen de spiegel aan.

Comments

comments