Wat is intersectioneel feminisme eigenlijk?

In 1989 benoemde de juriste Kimberlé Crenshaw het idee van een kruispunt (crossroads) van verschillende onderdrukkende factoren tot ‘intersectioneel feminisme’. Binnen de ‘de feministische volksmond’ is er vaak verwarring over deze term. Het wordt tegenwoordig vaak gebruikt als soort van buzzword en om te benoemen dat ook andere categorieën dan geslacht belangrijk zijn bij ongelijkheid. Maar wat betekent het nou echt? 

Bij intersectionaliteit gaat het vooral om de interactie tussen factoren, en dus niet zo zeer gewoon lukraak factoren ‘toevoegen’ bij het bespreken van ongelijkheid of maar uitgaan van één belangrijke factor. Belangrijkste factoren zijn doorgaans (met name in de academische gemeenschap): geslacht, ‘ras’ en klasse. Dus: je bekijkt niet alleen verschillen tussen man/vrouw, maar ook tussen verschillende etnische groeperingen en tussen verschillende economische klassen om ongelijkheid te analyseren. Crenshaw legde dit duidelijk uit door zwarte vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld in Amerika uit te lichten: ze merkte op hoe deze vrouwen in het gat tussen de antiracismebeweging en feminisme in vielen. De antiracismebeweging richtte zich met name op zwarte mannen (en wilde stereotypes niet herproduceren door speciale aandacht te besteden aan mishandeling van zwarte vrouwen), terwijl het feminisme zich vaak enkel op witte vrouwen leek te richten. Resultaat? Strategic silences over deze zaak. Dit is dus een voorbeeld van een intersectie tussen ras en geslacht dat ongelijkheid creëert.

Crenshaw10-21a

Crenshaw, geestelijke moeder van de term ‘intersectionaliteit’

Het verschil tussen gewoon factoren toevoegen (de additieve methode) en intersectionaliteit is dat er bij het eerste vanuit wordt gegaan dat de factoren ‘los’ van elkaar bestaan en onafhankelijk invloed uitoefenen op ongelijkheid, terwijl bij de intersectionele visie de intersectie tussen factoren centraal staat. Intersectionaliteit is dus een theoretische benadering maar ook zeker binnen de wetenschap een methodologische. Maar: zelfs binnen de academische wetenschap is er discussie over hoe deze methodologie en theorie toe te passen en stuit het op veel problemen. Hoe betrekken we dit op het feminisme?

Wit feminisme
Het is altijd een groot zwaktebod van het feminisme geweest: het níet betrekken en erkennen van verschillende groepen binnen de categorie ‘vrouw’. Deze vorm van feminisme wordt ook wel eens door critici betiteld als ‘wit feminisme’. Kortom: het soort feminisme dat zich doorgaans alleen richt op heteroseksuele, witte, hoogopgeleide en vaak ook nog eens middenklassevrouwen. In Nederland betekent dat bijvoorbeeld dat je je als feminist alleen richt op het doorbreken van het glazen plafond (dit betreft een groep vrouwen die waarschijnlijk al hoogopgeleid en tot de middenklasse behoort, en vaak ook nog wit zijn), en niet richt op bijvoorbeeld bepaalde eerste generatie Marokkaanse of Turkse vrouwen die wegens taalbarrières of een gebrek aan opleiding buitenshuis weinig kan ondernemen. Bij hen is mogelijke ongelijkheid op basis van vrouw zijn niet het enige obstakel maar zorgt de combinatie van geslacht én mogelijk religie (discriminatie op basis van bijvoorbeeld het dragen van een hoofddoek en vooroordelen over de islam), etniciteit (Marokkaanse- en Turkse Nederlanders als gemarginaliseerde groep), taal, opleiding én klasse tot hun eigen unieke intersectie. Al deze factoren bestaan niet onafhankelijk van elkaar, maar zorgen tezamen voor een gemarginaliseerde positie.

intersectionality-580x483

Een voor allen, allen voor een?
Een ander pijnlijk voorbeeld van gebrek aan intersectionaliteit: de speech van Patricia Arquette bij The Oscars in 2015. Ze zei letterlijk:

“It’s time for all the women in America, and all the men that love women and all the gay people and all the people of color that we’ve all fought for to fight for us now.”

Alle goede bedoelingen terzijde: zij, extreem rijke witte vrouw, benoemde dat ze nou écht eens eindelijk wilde dat iedereen ging vechten om de loonkloof te dichten, want “wij” (witte vrouwen – zij differentieert dit zelf) hebben gevochten voor “hen”. Nu kan je aan dat laatste al twijfelen, maar ze differentieert ook heel vreemd tussen vrouwen, mannen die van vrouwen houden, homoseksuelen en gekleurde mensen, alsof het compleet gescheiden groepen zijn met elk eigen ongelijkheid. Vervolgens impliceert ze dat die groepen hulp verschuldigd zijn aan witte vrouwen, om ervoor te zorgen dat zij meer geld in het laatje krijgen. Alsof de mensen in intersecties tussen die groepen niet al genoeg aan hun hoofd hebben.

De intersecties tussen die “gay people” en vrouwen, mannen en verschillende etniciteiten wordt dus compleet buiten beschouwing gelaten. Vrouwen binnen etnische minderheden verdienen namelijk in Amerika, en ook in Nederland, véél minder dan witte mannen. Het gat dat zij moeten dichten is dus een stuk groter dan wat de witte vrouw moet dichten, en zij moeten überhaupt meer obstakels overkomen. En: er zijn in Amerika nog wel urgentere zaken omtrent genderongelijkheid: denk aan politiegeweld jegens Afro-Amerikaanse vrouwen, extreem dagelijks geweld tegen transgenders, armoede van etnische minderheden, abortusregelingen die in het geding komen, enzovoorts. Gezien Patricia’s bevoorrechte positie is zo’n solidariteitsspeech dus niet helemaal geloofwaardig. Dat ze het goed bedoelde, daar twijfelt niemand aan, maar het richt zich heel duidelijk maar op één type vrouw. Die ongelijkheid is ook niet haar schuld als witte vrouw: maar ze profiteert wel van de structuur, en daarom was het belangrijk geweest om haar privilege uit te spreken.

Dit is wat wit feminisme is en wat wij, in deze vierde golf, écht anders moeten gaan doen: verschillen erkennen en betrekken. Niet om solidariteit tegen te gaan of om vijandigheid te creëren maar juist het tegenovergestelde: door diversiteit binnen de groep vrouwen en mannen te erkennen gaan we uitsluiting tegen en gaan we pas echt richting inclusief feminisme.

Comments

comments