Mansplain Monday #24: Stelen in het groot

In de rubriek Mansplain Monday wisselen feministische mannen Lucas en Sander elkaar af en beschrijven ze wekelijks hun visie op seksistische zaken. Deze week beargumenteert Lucas waarom het hernoemen van specifieke historische straatnamen geen gek idee is.

“In het park staat een standbeeld van een dief uit 1600”, zong Herman van Veen in Kletsnatte Clowns, “het loon van stelen in het groot”. Ik weet niet of Tunahan Kuzu van DENK een Herman van Veen-adept is, maar ik moest er aan denken toen DENK in haar programma een voorstel presenteerde om de namen van een aantal van die dieven van straatnaambordjes en tunnels te halen; onder andere de Coentunnel moet eraan geloven.

Zoals te verwachten viel, werd dit relatief symbolische idee gelijk uitgelicht en geridiculiseerd; van serieuze historici tot Balie-directeur Yoeri Albrecht, de commentaren stapelden zich op. Nou ben ik geen DENK-stemmer, maar hier heeft de partij in mijn beleving eigenlijk wel een punt, en slaan de critici op meerdere manieren de plank mis.

De slachter van Atjeh
Eerst even het inhoudelijke debat. Dat komt voor mij in letterlijke zin dichtbij, want ik woon in de Utrechtse wijk Lombok/Laan van Nieuw Guinea. Ik houd van die wijk, maar er liggen wel een paar straten waar je vraagtekens bij kunt zetten bij de naam. Centraal in die wijk hebben we – jawel – de J.P. Coenstraat. Verder vinden we daar nog de Pieter Bothstraat (eerste gouverneur van Nederlands Oost-Indië), de Daendelsstraat (gouverneur onder Lodewijk Napoleon), de Van Riebeeckstraat (stichter van Kaapstad) en de Van Heutszstraat (generaal ten tijde van de Atjehoorlog).

De laatste staat, bepaald niet onterecht, bekend als de ‘slachter van Atjeh’ vanwege de oorlogsmisdaden die onder zijn commando zijn begaan, samen met majoor Frits van Daalen – naar wie overigens een straat is vernoemd in Rijswijk. Daarmee staan ze in hetzelfde rijtje met Coen, die verantwoordelijk was voor volkerenmoord op de Banda-eilanden. Both en Daendels waren echter ook bepaald geen lieverdjes, en als gouverneurs hoofduitvoerders van het roofbeleid van de VOC. Van Riebeeck stond aan de basis van repressie en geweld tegen de oorspronkelijke bewoners van de Kaapkolonie, de Khoi Khoi.

Historische context en de Seyss-Inquartgasse
Dat deze mensen nog steeds op straatnaambordjes staan, heeft een veel grotere lading dan alleen de ‘historische context’ die tegenstanders van naamswijziging opvoeren. Wie dat argument eens wil testen: het komt op hetzelfde neer als in Duitsland op vakantie gaan, en er achter komen dat men aldaar nog steeds een Seyss-Inquartgasse heeft. Ik ben heel benieuwd of de heren historici dat ook zouden accepteren als een ‘historische herinnering’ die niet uitgewist mag worden, maar waar ‘openlijk mee moet worden omgaan’.

Nog los van hoe zij het zelf zien: bij woorde van de Commissie Naamgeving Openbare Ruimte krijgen straten namen van mensen die ‘het gedenken waard zijn’. Iets in mij doet betwijfelen of we op dezelfde zogenaamd rationele manier zouden reageren als Duitse oorlogsmisdadigers in Duitsland zo zouden worden herinnerd. Als dat zo is, waarom vragen we mensen met een achtergrond in door Nederland gekoloniseerde landen dan wel om er ‘rationeel’ naar te kijken en het ‘historisch perspectief te zien’?

Over historisch perspectief gesproken, het tegenargument dat we de geschiedenis niet moeten uitwissen rammelt even hard. Straatnamen veranderen, plekken hernoemen en andere historische keuzes maken doen we overal. Het Van Heutsz-monument is omgedoopt naar het Monument Indië-Nederland, de voormalige Stalinlaan in Amsterdam heet tegenwoordig de Vrijheidslaan – beiden met als redenatie dat een nieuwe blik op de geschiedenis leert dat deze mensen bij nader inzien toch weinig herdenking en eer verdienen.

We hebben bovendien de openbare weg niet nodig om ons geschiedkundig bewustzijn aan te leren. Als dat zo was zouden we vanuit puur historisch perspectief de Maliebaan tot de Mussertbaan moeten omdopen omdat de NSB daar haar hoofdkwartier had. Dan zouden we ergens nog een Hertog van Alva-hof moeten hebben, of een Bloedraadplein. Niemand die daar voor zou pleiten, en dat is toch geschiedenis van iets langer geleden.

De geschiedenis leeft
Juist die discrepantie laat zien waar het hier werkelijk om gaat. Het gaat niet om historie van lang geleden die we moeten laten rusten, het gaat om gebeurtenissen die tot de dag vandaag relevant zijn, over levende geschiedenis. Deze geschiedenis leeft omdat de koloniale erfenis impact heeft op wereldwijde machtsverhoudingen van nu, op de samenstelling van onze Nederlandse bevolking en op niet-opgeloste politieke problemen.

De hierboven genoemde heren hebben daar zeer direct mee te maken. Om maar een voorbeeld te noemen: één van de erfenissen van Pieter Both is het relatief recent onafhankelijk geworden Oost-Timor. Een andere is de Molukse onafhankelijkheidskwestie, die nog steeds de gemoederen bezig houdt. Apartheid was een directe erfenis van Van Riebeecks opzet van de Kaapkolonie, en hoezeer dat ook in 2016 nog Zuid-Afrika tekent behoeft geen betoog.

De geschiedenis leeft ook nog steeds omdat ons nationale narratief over wie wij zijn als Nederlandse samenleving er voor een groot deel op gebaseerd is. Dit is die ‘Gouden’ Eeuw, of beter gezegd, het vermolmde laagje hout eronder. Het verzet tegen het hernoemen van straten, is expliciet ook het verzet tegen deelname van mensen van kleur aan het maken van dat nationale narratief.

Net zomin als dat we collectief bereid zijn om de slaveneconomie waarop onze welvaart gebaseerd is te zien voor wat hij was, zijn we bereid de kolonisatoren van weleer aan te zien voor de dieven die het waren, in plaats van de zeehelden die we van ze willen maken.  Die herziening zegt immers iets over onze nationale identiteit, iets dat we liever niet onder ogen zien. Dat niet-witte stemmen zich vervolgens in dat debat mengen vinden we helemaal ongemakkelijk, en dus moet die mensen het zwijgen worden opgelegd.

Het zwijgen opleggen
Ik zeg ‘zwijgen worden opgelegd’, want die neiging zit ondubbelzinnig in de kritiek op DENK en dit idee. Het verkiezingsprogramma is ‘absurd’, en wordt ingekaderd in het citaat van een ‘anti-democraat’. Dat hetzelfde Utrecht van de Van Heutszstraat dezelfde woorden van die anti-democraat in het centrum op de muur heeft geplakt, laat de betreffende columnist buiten beschouwing. Yoeri Albrecht, directeur van De Balie, twitterde doodleuk dat je als migrant niet moet zeuren over straatnamen in het land waar je komt. Dat de dames en heren van DENK, alsmede een hele reeks critici eerder gewoon Nederlanders staatsburgers zijn, is hem blijkbaar ontgaan. Dat je geboorteplek niet bepalend is voor je recht om aan het maatschappelijk debat deel te nemen, eveneens.

Veel meer dan met het ridiculiseren van criticasters zouden de hierboven aangehaalde mensen zich moeten bezighouden met het openbreken van het debat over hoe wij onze geschiedenis willen herinneren. Wie deelneemt aan het historisch debat, en hoe dat in onze schoolboekjes terecht komt. Roepen dat straatnamen niet de plek zijn om geschiedkundige debatten te voeren is waardeloos als je dat debat niet ergens anders opent. Laten we eerst zorgen dat we onze geschiedenis écht goed kennen, voordat we klagen over het feit dat hij van de straatnaambordjes verdwijnt. Tot we zover zijn en we andere, niet-witte stemmen toe te laten in ons historisch narratief blijft dat een drogargument ter bescherming van onze eigen onschuld. Die hoef ik niet op bordjes in mijn wijk.

Comments

comments