Mansplain Monday #13: Meer sportvrouwen, minder gelul

In de rubriek Mansplain Monday wisselen feministische mannen Lucas en Sander elkaar af en beschrijven wekelijks hun visie op seksistische zaken. Deze week: Lucas over vrouwen in de sportwereld.

Dat was het dan, de sportzomer. Het walhalla voor sommigen, de hel voor anderen, en een schier onuitputtelijke bron van gespreksstof voor iedereen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik wat sport betreft nogal aan het cliché mannenbeeld voldoe, in de zin dat ik van het EK tot de Olympische sluitceremonie gisteren een stuk meer tv-uren heb gemaakt dan normaal gesproken. Klapstuk waren natuurlijk de Olympische Spelen, waar in tegenstelling tot bij het EK en de Tour De France wel voor elk wat wils te vinden was. Belangrijker nog, anders dan de Tour en het EK was het in Rio de Janeiro een keer géén sausagefest-met-praatjes. Oké, wel de praatjes. Maar toch. Dat is winst.

Natuurlijk valt er nog een hoop aan te merken op het casual seksisme dat soms langskwam. De neiging om ‘de man achter’ succesvolle vrouwelijke atletes de credits te geven, de “fysieke” aandacht die sommige sporters zich moeten laten welgevallen, en de bloedirritante doch onuitroeibare gewoonte om toegewijde, gedisciplineerde en vooral volwassen atletes aan te duiden als ‘meisjes’ – allemaal kwamen ze langs.

Toch is het me op de keper beschouwd enorm meegevallen. Hoewel ik het niet heb zitten turven, kwam het me voor dat de aandacht voor mannelijke en vrouwelijke atleten in ieder geval op Nederlandse radio en televisie vrij evenredig verdeeld was. De gasten in sportpraatprogramma’s waren aardig gemengd, zowel wat betreft de atleten zelf als wat betreft de commentatoren en experts – en dan heb ik het nog niet eens over de fenomenale prestaties van de Nederlandse sportvrouwen. Van Anna van der Breggen via Daphne Schippers tot aan Nouchka Fontijn (u heeft toch wel gekeken, gisteravond?), er is in Nederland een klasse topatletes opgestaan die zowel afgerekend naar het aantal medailles, als naar de individuele prestaties haar weerga niet kent.

Na de Spelen weer terug naar onbekendheid
Mijn vraag is: hoe gaat dat nu verder? Nemen de klassieke
cliché-sportmannetjes het nu weer over? Met wel ruim uitzendtijd voor praatprogramma’s over voetbal – vol mannen – maar niet voor de atletische prestaties van dezelfde dames die we in Rio collectief hebben toegejuicht? Laten we wel wezen, hoeveel mensen buiten de echte wielerjunkies om kenden Van der Breggen? Wie had, voor die afgrijselijke val, ooit eens goed naar de prestaties van Annemiek van Vleuten gekeken? Waarom moeten we op de Spelen pas echt kennismaken met een Anicka van Emden, of een Kim Polling, die toch al een paar jaar wereldtop zijn bij – mijn eigen favoriete sport – het judo?

Dit is niet alleen een simpele kwestie van bekende versus minder bekende sporten. Wielrennen krijgt in Nederland vrij veel aandacht, het baanwielrennen in iets mindere mate dan het wegwielrennen. Iedereen leefde mee met de prestaties van Steven Kruijswijk in de Giro d’Italia dit voorjaar. Terecht, want het is een prachtsport, Kruijswijk is een fantastische atleet en dit was een bloedspannende Giro. Hoeveel mensen wisten echter dat Anna van der Breggen de Giro Rosa van 2015 won? Een korte blik naar de uitslagen en het wedstrijdverloop leert dat de koers net zo spannend was als Kruijswijks Giro dit jaar, maar ik durf te wedden dat de eerste keer dat de meeste mensen daarvan hoorde, was toen de commentator bij het vrouwenwielrennen het noemde.

Seksisme scheppen per kilo
Het kan ook niet zo zijn dat mensen nou eenmaal minder warm worden van vrouwensport, zoals de verdediging van sportprogramma’s en zendcoördinatoren vaak luidt. Ja, het is
seksisme scheppen per kilo als er weer eens vrouwenvoetbal op tv is (nog zo’n topteam waar we te weinig van weten), maar de Olympische Spelen lieten zien dat er ook keihard meegeleefd wordt met vrouwelijke atleten. Tot en met de handbalsters regende het gepassioneerd commentaar op sociale media, zelfs van mensen die rustig toegaven dat ze eigenlijk geen zak van de sport snapten.

Lekker wijf met mannelijke discipline
Twee problemen lijken in de weg te staan van meer aandacht voor sportende vrouwen. Eerst en vooral blijven we vasthouden aan het rare idee dat competitieve sport inherent iets ‘mannelijks’ is. Dat levert, behalve volstrekt loze taal a la ‘mannelijk voetbal spelen’ een paradoxale situatie op: vrouwen moeten zich aan de ene kant aan dat beeld conformeren, en aan de andere kant uiterlijk nog wel de maat worden genomen op hun ‘vrouwelijke’ aantrekkingskracht. Je moet hard zijn, maar ook weer niet te hard, want dan word je een bitch en een manwijf – zie de collectieve verontwaardiging toen Daphne Schippers geen genoegen nam met zilver, of
het idiote debat rond Caster Semenya. Meisjes wordt nog steeds te weinig meegegeven dat ze net zo hard en competitief mogen zijn als jongens, zonder zich zorgen te maken over wat de buitenwacht er van vindt. Die mentaliteit moet anders, en wordt getuige de Nederlandse atletes langzamerhand ook anders – vermoedelijk echter niet voor Tokio 2020.

Goedkoop > gendergelijkheid
Het tweede probleem is prozaïscher, maar ook makkelijker op te lossen: meer zendtijd voor vrouwelijke sporten kost geld, helemaal als het ten koste gaat van de zwaar gesponsorde mannensporten. Reclameblokken om voetbalwedstrijden heen zijn goud waard, om waterpolo of judo een stuk minder. Het is het oude liedje: leuk, die gendergelijkheid, als het maar goedkoop kan. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Waarom durven we geen grote publieke investering te doen specifiek in de vrouwensport, waarbij de media-aandacht ook wordt meegenomen? Het is bovendien een self-fulfilling prophecy: meer aandacht betekent meer kijkers, betekent meer inkomsten, betekent meer primetime ruimte – en ja, daar mogen ook private partijen aan meebetalen.

Nederland zou Nederland niet zijn als er niet permanent gezeken wordt op het topsportklimaat, dat we geen killersmentaliteit zouden hebben, dat we te weinig durven. Na Rio lijkt me dat gelul – pun not intended. We moeten echter durven toe te geven dat die topsporters, die killers, die winnaars er wel zijn, maar vaak niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Dat moet anders, en kan anders. Niet voor Maurits Hendriks’ tabelletje, maar voor die volgende generatie atletes. Op naar goud.