Mansplain monday #11: Kies de juiste woorden

In de rubriek Mansplain Monday wisselen feministische mannen Lucas en Sander elkaar af en beschrijven wekelijks hun visie op seksistische zaken. Deze week: Sander over waarom woordkeuze uitmaakt in discussies over seksisme en racisme.

Sommige mensen vinden het heel vervelend als ze op problematisch taalgebruik worden gewezen. Vrienden die het oneerlijk vinden dat zij het n-woord niet ‘mogen’ zeggen, anderen die denken dat je geen discussie kan voeren als je de juiste voornaamwoorden voor transmensen ‘moet’ gebruiken, en personen die het niet kunnen hebben dat ik ‘wit’ in plaats van ‘blank’ zeg… Mijn vrienden hebben issues.

Er zijn organisaties die veel op mijn vrienden lijken: kranten. Het is de laatste maanden heel erg in om witte mannen columns te laten schrijven over racisme, columns die ze dan kunnen gebruiken om heel bewust het n-woord te bezigen. Mensen die koketteren met racistisch taalgebruik noemen we in de meeste landen op zijn minst onbeschofte kloothommels, en meestal wat ergers, maar het n-woord is hier zo ingeburgerd dat we er populaire drankspelletjes voor hebben. Meervoud. Een schrijver die de eerste helft van een 8,000-woorden lange column gebruikt om te laten zien dat hij weet dat het fout is, maar hij het n-woord toch wel heel graag gebruikt want vroegah, valt daarbij bijna in het niet.

Je woordkeuze maakt uit
Het is een Nederlandse ziekte, doen alsof woordkeuze niet uitmaakt. We lachen collectief om die belachelijke Amerikanen die scheldwoorden censureren. Wij zijn direct. Wij geven geen
fuck om een tv-ster die in een interview wat grove bewoordingen kiest. Dat er nogal een verschil zit tussen een scheldwoord zonder maatschappelijke betekenis, en een woord met een lange geschiedenis van dehumanisering, dat kan er dan weer moeilijk in. We doen niet lastig over woorden, tot ons wordt gevraagd om andere te gebruiken — of zelfs als andere mensen daarvoor kiezen. Nederlanders vinden het vaak vreselijk als iemand enige moeite doet om het n-woord niet te reproduceren, bijvoorbeeld.

De verdediging van het n-woord komt meestal niet verder dan “Vroeger mocht het!” en “Wat zeg je dan?” — het één is een drogreden, en het ander is een argumentum ad pure luiheid. Zo heel moeilijk is het niet om even na te gaan hoe mensen genoemd wensen te worden. De meest incoherente verdediging van het witte gebruik van dat woord, en iedere andere geuzennaam, is dat het oneerlijk zou zijn als sommige mensen het woord ‘mogen’ gebruiken en anderen niet. Zo’n argument negeert de sociale context van taal volledig, ook al is dat juist de kern van iedere vorm van communicatie. Om Ta-Nehisi Coates te citeren:

It might be true that you refer to your spouse as Baby. But were I to take this as license to do the same, you would most likely protest. Right names depend on right relationships, a fact so basic to human speech that without it, human language might well collapse.

Woorden roepen associaties op, ze impliceren dingen. Gebruik je als niet-zwart persoon het n-woord, dan boor je een bepaalde geschiedenis van stereotypes, geweld en dehumanisering aan. Een geschiedenis van ongelijke machtsverhoudingen, zoals altijd als het over racisme, seksisme en andere -ismes gaat.

Macht bepaalt de definitie
Wie bepaalt eigenlijk welke naam wij aan een bevolkingsgroep geven? En realiseren we ons dat woordkeuze de groep ook definieert, vaak op incorrecte wijze? Dat wij de afstammelingen van de originele bevolking van het Amerikaanse continent nog steeds ‘indianen’ noemen, heeft alles te maken met macht. Dat wij ze niet met hun specifieke etniciteit aanspreken, en dat we die hele bevolkingsgroep als homogeen behandelen, ook. ‘Allochtoon’ heeft een officiële, institutionele definitie en een andere betekenis in alledaags taalgebruik, maar in beide gevallen gaat het om een term die interne verschillen uitvlakt. De term wordt gebruikt door mensen in een machtspositie, mensen die een bevolkingsgroep willen definiëren om hem te kunnen beheersen.

Herinneren we ons het nog vorig jaar, toen Nederlandse anti-racisten bezwaar maakten tegen een racistische kop en Kuifje in Afrika tekeningen? Dat het pas werd opgepakt toen Karen Attiah van de Washington Post er over schreef? Dat is macht. Ook macht: de vele Twitterracisten die Attiah en anderen uitscholden met de meest racistische woorden, Adjiedj Bakas voorop. Het is een Nederlandse gewoonte om te laten zien dat we geen racismeprobleem hebben, door even extra racistisch te doen. Maar dit is in de kern hetzelfde probleem: een van machtsverhoudingen, het reproduceren van racistische taal, en het weigeren je aan te passen aan de wensen van groepen die je daarmee schaadt.

“Het is een Nederlandse gewoonte om te laten zien dat we geen racismeprobleem hebben, door even extra racistisch te doen”

Blijf luisteren
Taalgebruik maakt een verschil. Het toont macht aan, om nooit na te hoeven denken over je woordkeuze, en dan verbaasd of beledigd te zijn als je gevraagd wordt je woorden aan te passen. Het toont macht aan om niet ‘Oh, sorry, mijn fout’ te zeggen als iemand bezwaar maakt tegen je taalgebruik. Het getuigt van nog veel meer macht om nadat je erop gewezen wordt, er een expliciet punt van te maken om die woorden te gebruiken. Woorden waar je zonder veel moeite een alternatief voor kan gebruiken. Het is ‘FUCK YOU’ zeggen omdat je gevraagd wordt je enigszins aan te passen.

Het einde is niet zoek als je leert een ander woord te gebruiken. Het kost wel moeite, het betekent wel dat je moet blijven leren, het betekent dat je moet blijven luisteren, en het betekent dat je tegen kritiek moet kunnen. Het betekent dat je je bewust moet aanpassen aan andere mensen, en dat is in dit Nederland vaak al veel te veel gevraagd.

Dat is dan ook een goede samenvatting van de Nederlandse strijd tegen racisme en seksisme: allemaal leuk en aardig, maar zodra we er naar moeten handelen gaat het vaak te ver.